Biografie

Het leven van Immanuel Kant
Immanuel Kant werd geboren op 22 april 1724, in de Pruisische stad Koningsbergen, als zoon van een zadelmaker. Zijn ouders waren piëtistisch en het piëtisme, een godsdienstige beweging binnen het protestantisme die de nadruk legde op innerlijke zedelijkheid en persoonlijke geloofsbeleving, zou later Kants wijsbegeerte beïnvloeden. Van 1732 tot 1740 bezocht Kant het Collegium Fridericianum in zijn geboorteplaats, dat onder leiding stond van de piëtistische predikant Franz Albert Schultz. In 1740 ging hij naar de universiteit in Koningsbergen, waar hij aanvankelijk theologie studeerde, maar zich al spoedig specialiseerde in de natuurwetenschap en de filosofie. Van 1746 tot 1755 was hij huisleraar, bij drie verschillende families, steeds in de buurt van Koningsbergen. In 1755 werd hij privaatdocent aan de universiteit. Vijftien jaar later verwierf hij zijn eerste professoraat, in de logica en de metafysica. Hij zou niet alleen in deze twee vakken college geven, maar ook in de mathematische fysica, de geografie, de antropologie, de theologie, de ethiek en het natuurrecht. Van verschillende studenten, onder meer van Herder, weten we dat hij een zeer inspirerend docent was, die zijn studenten tot zelfstandig denken stimuleerde.
Kant had geen sterke gezondheid. Hij was vaak ziek en bovendien had hij een vergroeiing aan zijn bovenlichaam; zijn ene schouder was hoger dan de andere. Mede vanwege zijn zwakke gestel legde hij zichzelf een zeer strakke discipline op. Hij bleef tot aan zijn dood in Koningsbergen wonen; aanbiedingen om in andere plaatsen te komen doceren heeft hij nooit aangenomen. Kants leven lijkt door dat alles enigszins arm aan dramatiek, wat Heine deze verzuchting ontlokte: “De levensgeschiedenis van Immanuel Kant is moeilijk te beschrijven. Want hij had leven noch geschiedenis.”
Een dag uit Kants leven zag er als volgt uit. Exact om vijf uur liet Kant zich wekken door zijn bediende, de oud-militair Lampe, die hem streng toeriep: “Het is tijd!”. Eerst bereidde hij zijn colleges voor, vervolgens gaf hij ze, en nadien werkte hij nog tot één uur ’s middags. Dan nam hij de tijd om zich te ontspannen. Er volgde een maaltijd, waarvoor hij steevast gasten uitnodigde. Tijdens de maaltijd, die vaak vier tot vijf uur duurde, werd er over van alles en nog wat gesproken, maar niet over filosofie, want dan raakte Kant ontstemd.. Na de maaltijd trok hij zich terug, om wat te lezen en tot rust te komen. Stipt om zeven uur ving hij een wandeling aan, naar het laantje dat vanwege Kants gewoonte later het filosofenlaantje kwam te heten. Het verhaal gaat dat de Koningsbergers, die langs deze route woonden hun uurwerk op Kants ommegang gelijk konden zetten. Slechts één keer heeft Kant de wandeling overgeslagen, omdat hij begonnen was in Emile van Rousseau en zo door het boek gegrepen werd dat hij het boek in één ruk uitlas. Na zijn avondwandeling las hij altijd nog enkele uren, maar klokke tien lag hij in bed.
Kant was al ver over de zeventig toen hij zijn laatste boeken publiceerde. In 1797 legde hij zijn professoraat neer, na meer dan veertig jaar te hebben lesgegeven. Zijn leven mag dan geen veelbewogen verloop hebben gekend, zijn wijsbegeerte was een daverende paukenslag in de symfonie der filosofiegeschiedenis. Nog tijdens zijn leven werd hij tot ver over de Duitse grens beroemd. Hij overleed op 12 februari 1804, en op de dag van zijn begrafenis stond er al drie uur voor de plechtigheid een grote mensenmenigte aan de straat om de grote filosoof, de ‘allesvermorzelaar’, zoals Mozes Mendelssohn hem eerder had genoemd, de laatste eer te bewijzen.
Uit: Prolegomena, Inleiding door Jabik Veenbaas en Willem Visser, © Uitgeverij Boom, Amsterdam
Immanuel Kant werd geboren op 22 april 1724, in de Pruisische stad Koningsbergen, als zoon van een zadelmaker. Zijn ouders waren piëtistisch en het piëtisme, een godsdienstige beweging binnen het protestantisme die de nadruk legde op innerlijke zedelijkheid en persoonlijke geloofsbeleving, zou later Kants wijsbegeerte beïnvloeden. Van 1732 tot 1740 bezocht Kant het Collegium Fridericianum in zijn geboorteplaats, dat onder leiding stond van de piëtistische predikant Franz Albert Schultz. In 1740 ging hij naar de universiteit in Koningsbergen, waar hij aanvankelijk theologie studeerde, maar zich al spoedig specialiseerde in de natuurwetenschap en de filosofie. Van 1746 tot 1755 was hij huisleraar, bij drie verschillende families, steeds in de buurt van Koningsbergen. In 1755 werd hij privaatdocent aan de universiteit. Vijftien jaar later verwierf hij zijn eerste professoraat, in de logica en de metafysica. Hij zou niet alleen in deze twee vakken college geven, maar ook in de mathematische fysica, de geografie, de antropologie, de theologie, de ethiek en het natuurrecht. Van verschillende studenten, onder meer van Herder, weten we dat hij een zeer inspirerend docent was, die zijn studenten tot zelfstandig denken stimuleerde.
Kant had geen sterke gezondheid. Hij was vaak ziek en bovendien had hij een vergroeiing aan zijn bovenlichaam; zijn ene schouder was hoger dan de andere. Mede vanwege zijn zwakke gestel legde hij zichzelf een zeer strakke discipline op. Hij bleef tot aan zijn dood in Koningsbergen wonen; aanbiedingen om in andere plaatsen te komen doceren heeft hij nooit aangenomen. Kants leven lijkt door dat alles enigszins arm aan dramatiek, wat Heine deze verzuchting ontlokte: “De levensgeschiedenis van Immanuel Kant is moeilijk te beschrijven. Want hij had leven noch geschiedenis.”
Een dag uit Kants leven zag er als volgt uit. Exact om vijf uur liet Kant zich wekken door zijn bediende, de oud-militair Lampe, die hem streng toeriep: “Het is tijd!”. Eerst bereidde hij zijn colleges voor, vervolgens gaf hij ze, en nadien werkte hij nog tot één uur ’s middags. Dan nam hij de tijd om zich te ontspannen. Er volgde een maaltijd, waarvoor hij steevast gasten uitnodigde. Tijdens de maaltijd, die vaak vier tot vijf uur duurde, werd er over van alles en nog wat gesproken, maar niet over filosofie, want dan raakte Kant ontstemd.. Na de maaltijd trok hij zich terug, om wat te lezen en tot rust te komen. Stipt om zeven uur ving hij een wandeling aan, naar het laantje dat vanwege Kants gewoonte later het filosofenlaantje kwam te heten. Het verhaal gaat dat de Koningsbergers, die langs deze route woonden hun uurwerk op Kants ommegang gelijk konden zetten. Slechts één keer heeft Kant de wandeling overgeslagen, omdat hij begonnen was in Emile van Rousseau en zo door het boek gegrepen werd dat hij het boek in één ruk uitlas. Na zijn avondwandeling las hij altijd nog enkele uren, maar klokke tien lag hij in bed.
Kant was al ver over de zeventig toen hij zijn laatste boeken publiceerde. In 1797 legde hij zijn professoraat neer, na meer dan veertig jaar te hebben lesgegeven. Zijn leven mag dan geen veelbewogen verloop hebben gekend, zijn wijsbegeerte was een daverende paukenslag in de symfonie der filosofiegeschiedenis. Nog tijdens zijn leven werd hij tot ver over de Duitse grens beroemd. Hij overleed op 12 februari 1804, en op de dag van zijn begrafenis stond er al drie uur voor de plechtigheid een grote mensenmenigte aan de straat om de grote filosoof, de ‘allesvermorzelaar’, zoals Mozes Mendelssohn hem eerder had genoemd, de laatste eer te bewijzen.
Uit: Prolegomena, Inleiding door Jabik Veenbaas en Willem Visser, © Uitgeverij Boom, Amsterdam
